Dirk Verhofstadt en Johan Braeckman
Nick De Clippel
Non-fictie
  • 1081 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

1 december 2021 Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman
Wie al eens wat van Plato gelezen heeft, weet dat een gesprek soms een verknipte monoloog is. Dat gaat in grote mate ook op voor 'Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman'. Verhofstadt stelt vragen, vraagt verduidelijking, voegt soms wat toe en spreekt een uitzonderlijke keer zelfs tegen, maar het is in hoofdzaak Johan Braeckman die het boek volpraat.
In een gewoon gesprek worden bovendien geen auteurs opgesomd met hun geboorte- en sterfdatum (in de eerste 10 bladzijden zijn dat er al 54), wordt geen hele bladzijde Cicero uit het hoofd geciteerd en vergeet men al eens waar ‘ten derde’ eigenlijk over moest gaan.
Anderzijds is wat op het achterplat staat niet helemaal onwaar. De vele zinnen die beginnen met iets zoals ‘ik wil eerst even terugkomen op…’, ‘neem bijvoorbeeld die en die en die’, zijn duidelijk spreektaal. Er worden regelmatig zijsprongetjes gemaakt en nogal wat petite histoire passeert de revue, wat evenmin doet denken aan een gedrukt traktaat.
Dat een geboortedatum een paar keer vermeld staat of het geloof van Conan Doyle in elfjes twee keer wordt verteld, toont dat meer redactie beter was geweest, temeer omdat door de veelheid van onderwerpen en de overdaad aan verwijzingen het boek op zich al wat last heeft van obesitas.

De wagen is dus wat overladen, maar het ding blijft rijden omdat het over boeiende en intellectueel prikkelende dingen gaat. Het format van vraag en antwoord zorgt er bovendien voor dat de lezer nooit meer dan stukken van een tot twee bladzijden moet verstouwen. Dat leest vlot weg. Je hoort tijdens het lezen ook dat Braeckman een vlot en geroutineerd verteller is. Ook dat helpt. Het boek is geschreven voor een breed publiek, dat bij voorkeur toch een ruime woordenschat en brede interesse heeft. Ik vermoed dat precies dat publiek het gesprek graag zal volgen.
Deel 1 is voor een stuk een geschiedenis van de filosofie, zoals Verhofstadt en Braeckman die lezen. Die lezing valt niet lineair te volgen, maar staat verspreid over het hele boek. Ze begint uiteraard in de oudheid en het begin van rationeel en logisch denken. Veel aandacht gaat naar Lucretius en De natuur der dingen. Dan springt het naar de tijd van Francis Bacon en Spinoza, vervolgens naar de Verlichting en tenslotte naar Darwin en de hedendaagse evolutionair geïnspireerde denkers. Nogal wat grote namen ontbreken in de selectie. Thomas van Aquino bijvoorbeeld, terwijl Heidegger enkel wordt vermeld om er brandhout van te maken. Een scheutje Schopenhauer of een neut Nietzsche hadden er voor mij bij gemogen, maar het punt is dat er klare wijn geschonken wordt over wie wel en wie niet het herlezen waard is.

Een manier om dat te benoemen is het belang van Skepsis (met een k), want het gaat voor de auteurs niet over de filosofische scepsis (met een c), die twijfelt aan de mogelijkheid van ware kennis, maar over gegronde twijfel aan alles wat speculatief is, verzonnen of niet deugdelijk (evidence based) werd aangetoond. Het is evident dat van daaruit met scherp wordt geschoten op de psychoanalyse en haar charlacans (eigen woordspeling, ndc), op homeopathie, intelligent design en geloof. Voor dat laatste wordt uiteraard plaatsgemaakt in een eigen hoofdstuk. Religie is immers een belangrijk en bijzonder complex gegeven, wat niet wegneemt dat een redelijk mens er nauwelijks wat van kan geloven. Met redenen om geloof aan het kruis te nagelen springen de auteurs niet zuinig om. De reden waarom de persistentie van geloof desondanks zo groot is,  vinden we – naast gezond verstand – nog het best in de cognitive science of religion, die uitleggen wat groepsdynamiek, hyperactive agency detection, spontaan dualisme, teleologisch denken en dat soort dingen ermee te maken hebben.
Irrationalisme vinden we volgens Braeckman lang niet alleen in religieus geloof. Het postmoderne relativisme, zoals we dat lezen bij onder meer Michel Foucault en Bruno Latour wekt evenmin veel enthousiasme. Vooral de doorgeschoten volgelingen die onder meer in de humanities een steeds grotere bek opzetten, krijgen een veeg uit de pan. Het ideologisch gestuurde constructivisme en de alternatieve feiten die daar soms uit volgen, zijn een niet te onderschatten gevaar voor de democratie. Die hapert zonder kennis en waarheid. Opvallend is dat Braeckman het expliciet zinvol vindt om in debat te gaan met pseudowetenschappen. De fundamentele instelling is niet die van het grote gelijk, maar van het betere argument.
Tegenover irrationalisme staat uiteraard rationalisme, wat niet betekent dat Braeckman of Verhofstadt zich bekent als rationalist à la Descartes. Ze sluiten gewoon aan bij wat vandaag de algemene consensus is over wetenschappelijke kennis en methode. Een baken daarin was ongetwijfeld Charles Darwin, die volgens hen meer nog dan Einstein op dezelfde hoogte staat als Newton. Het eerste hoofdstuk is dan ook helemaal gewijd aan de man achter The Origin of Species. De lezer krijgt niet enkel de theorie uitgelegd, maar leert ook over Darwins avonturen en persoon. Het nieuwe darwiniaanse paradigma verbetert zichzelf nog steeds en blijkt vruchtbaar voor tal van onderzoeksdomeinen, zelfs voor de moraal. Minstens even belangrijk is evenwel de deuk die geloof erdoor kreeg. De mens is niet een door God geschapen, geprivilegieerd wezen.
Het hoofdstuk na Darwin gaat over de evolutie van de mens en vertelt van onze stamboom, van de australopithecus naar de homo habilis naar sapiens sapiens en het hele takkenbos daartussen. Een gedurfde onderneming want in de boom wordt bijna jaarlijks gesnoeid én geënt. We lezen waarom we hurken, wat een twee miljoen oud skelet met lsd te maken heeft en waarom je al joggend een antilope kan vangen.
Het vijfde en laatste hoofdstuk gaat nog voor een stuk over religie, maar er wordt ook uitgelegd wat eigenlijk al een tijdje duidelijk is. De auteurs zijn atheïst, wat niet hetzelfde is als anti-theïst. Dat atheïsme is belangrijk, zegt Braeckman, maar in de eerste plaats ben ik een humanist. Dat is een existentiële positie die, zoals verteld, haar wortels heeft in de oudheid en niet zozeer tegen sommige dingen is, maar pro een aantal andere overtuigingen.

Dat humanisme is een vrijzinnig humanisme, dat wil zeggen dat het hand in hand gaat met vrij onderzoek en een absolute en volledige vrijheid van meningsuiting, ook wanneer die kwetsend overkomt. Een overheid moet zich volgens de professor niet inlaten met levensbeschouwelijke kwesties, ze moet neutraal blijven. Toch vindt hij dat we ons als samenleving in alle relevante omstandigheden moeten keren tegen elke vorm van groepsdruk. In de slotpagina’s staat ook dat het beste tegengewicht tegen censuur bestaat uit betere informatie en het verspreiden en verdedigen van humanistische en democratische waarden. Allicht is die remedie heilzaam voor alle kwalen die in het gesprek opduiken?

Nick De Clippel

Dit boek werd eveneens gelezen en besproken door recensent Gerda Sterk. Lees hier deze tweede recensie: https://humanistischverbond.be/kritisch-lezen/572/dirk-verhofstadt-in-gesprek-met-johan-braeckman-een-zoektocht-naar-de-menselijkheid-deel-1/ 
Dirk Verhofstadt en Johan Braeckman
Nick De Clippel
Non-fictie
Nick De Clippel is master in de filosofie (KULeuven).
_Nick De Clippel -
Meer van Nick De Clippel

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies