25 mei 2026
De Reichenbachs
Berend Sommer is geboren in 1990, woont in Parijs en schrijft over Nederland. Die afstand is blijkbaar geen handicap eerder een voordeel, want wie te dicht op zijn onderwerp zit, ziet ten langen leste de kwintessens niet meer. De Reichenbachs is het resultaat van vier jaar schrijven en het (naar eigen zeggen…) meest ambitieuze boek van zijn generatie over de staat van het land.
De roman begint op een bruiloft. Serge Reichenbach, fotograaf, zit op de achterste rij en draagt zwart terwijl iedereen groen heeft aangetrokken. Naast hem een man in smoking met een losse vlinderdas om zijn nek: Frank. Een bijzondere ontmoeting die het eigenlijke verhaal in gang zet.
Serge is beroemd geworden met twee foto's, waaronder een van zijn moeder vlak na haar politieke val, een beeld dat iconisch dreigt te worden zonder dat hij het heeft gewild. Zijn moeder Willemijn was minister van Onderwijs tot ze dronken achter het stuur werd betrapt. Vader Jaap is topambtenaar die verantwoording moet afleggen aan een parlementaire enquêtecommissie over miljarden die verdwenen in de bodemloze put van de Omgevingswet. Zus Juliette is oorlogsjournaliste in Oekraïne, veruit de bekwaamste en meest getalenteerde van het stel, en ook de meest onverstoorbare.
Sommer bouwt zijn roman op in drie delen, elk vanuit een ander gezinslid. Dat drieluik werkt goed: elk deel heeft zijn eigen tempo en register, elk personage zijn eigen blinde vlekken. Wat ze gemeen hebben is dat ze stuk voor stuk op zichzelf zijn aangewezen.
De kernzin van het boek staat er dan ook ondubbelzinnig in: "Je staat er alleen voor." Dat is niet cynisch bedoeld maar analytisch. De Reichenbachs zijn geen monsters, het zijn mensen die de spelregels van hun milieu hebben geïnternaliseerd en daarin zijn opgegaan tot ze er niet meer buiten kunnen treden.
Het eerste deel, over Serge, is veruit het zachtste. Hij is besluitloos, op zoek naar Frank, die door het boek slingert als een soort moderne Mefisto. Frank is iemand die perfect samenvalt met zijn tijd, een Amsterdamse ‘player’ met een Excel-sheet van zijn veroveringen en de gave om overal op te duiken waar de elite zich ophoudt. Hij is amusant om te lezen, maar ook een tikje te nadrukkelijk neergezet als de incarnatie van het tijdperk.
Het tweede deel, over moeder Willemijn en vader Jaap, is duidelijk het sterkste. De politieke satire is raak en venijnig. Den Haag als wereld van inhoudsloze journalistiek, van lege aforismen en stuurloze macht. Voor Willemijn kun je een reeks bestaande politieke figuren invullen. Dat is een compliment voor de herkenbaarheid, maar ook een gevaar: wie te veel op de actualiteit leunt, loopt het risico dat zijn boek over tien jaar alleen nog als tijdsdocument leesbaar is.
Het derde deel, over Juliette aan het Oekraïense front, is het meest filmische en denkelijk daardoor ook het meest ongelijkmatige. De scènes in Oekraïne zijn soms briljant, de cameo van Tommy Wieringa en Jaap Scholten als Protect Ukraine ambassadeurs is best vermakelijk. Maar het festivalgedeelte in Zuid-Afrika, geïnspireerd op Burning Man, neemt veel te veel ruimte in en dreigt het ritme te breken. Freelance creatives en Deloitte-medewerkers die in de woestijn een antikapitalistische pop-upsamenleving bouwen: Sommer ziet de schrijnende metafoor en laat het de lezer ook weten. Naar mijn aanvoelen meer dan een tikje te gretig.
De roman zit vol aforismen. Een bladzijde overslaan en je mist er minstens drie. "Vriendschap is vluchtig, en alleen kunst is eeuwig." "Het eindstation van moderniteit is een volkomen inwisselbare smaak." "Niemand heeft ooit ergens recht op, de enige zekerheid is willekeur." Ze zijn scherp geformuleerd maar stapelen zich op tot het geheel iets verklaards krijgt, alsof Sommer zijn lezers niet helemaal vertrouwt om zelf de conclusies te trekken. Goede romans tonen, slechte vertellen. De Reichenbachs doet allebei, en dat wringt soms.
Toch is er iets dat Sommer onderscheidt van zijn tijdgenoten. Hij schrijft niet over de binnenwereld van het individu maar over de buitenwereld van macht en politiek. Hij heeft weinig op met navelstarende personages die over hun gevoelens tobben en is eerlijk over zijn literatuuropvatting: politiek en economie zijn de drijvende krachten in een mensenleven, persoonlijke pijn is bijvangst. Dat is een minderheidsstandpunt in de hedendaagse Nederlandstalige literatuur en alleen daarom al verdient het respect.
Als kritisch lezer las ik dit boek met enige herkenning maar ook met enige wrevel.
De herkenning: Sommer treft raak in zijn beschrijving van een klasse die zichzelf als verlicht beschouwt maar in de praktijk niet minder op eigenbelang is gericht dan de rest. De man die na zijn stage bij Deloitte een paar maanden in een cocktailbar ging werken en dat de "zwanenzang van zijn jeugd" noemde, de vrouw die eens per week haar koffiebar bezoekt en een expositie organiseert "om iets terug te doen voor de buurt die haar zoveel heeft gegeven": het zijn karikaturen, maar geen onherkenbare.
De wrevel: de karikatuur is soms zo dik aangezet dat de menselijkheid erachter verdwijnt. Waar zijn in deze familieroman de mensen die ook maar een ogenblik twijfelen aan zichzelf zonder dat die twijfel onmiddellijk wordt ingezet voor een ander doel?
De Reichenbachs is geen roman die je om zijn taal en stijl leest.
De zinnen zijn mijns inziens bijwijlen iets te snel geschreven, de dialogen te schematisch, de morele lessen te zichtbaar aanwezig. Maar het is wel een interessant boek, en dat is in de hedendaagse literatuur niet vanzelfsprekend. Sommer heeft lef en ambitie, en die combinatie is zeldzaam genoeg om te koesteren, ook als het resultaat ongelijkmatig is. Of dit over twintig jaar nog gelezen wordt? De tijdsdocumenten die overleven zijn die waarin de feiten vervagen maar de toon blijft. Bij Sommer is het eerder omgekeerd. Vandaar: net niet goed genoeg.
Benny Madalijns