Deborah Levy
Benny Madalijns
fictie
  • 23 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

30 juli 2026 Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein
Ik heb dit boekje gelezen met een bewondering die af en toe naar jaloezie neigde. Deborah Levy schrijft met een losse hand en een geleerdheid die zich nooit opdringt, en dat is precies de toon die ik zelf al jaren probeer te vinden.
Wat zij aflevert is geen roman, geen biografie en geen essay, maar een tekst die voortdurend tussen die drie vormen heen en weer beweegt. Mijns inziens is precies die weigering om te kiezen wat het boek zijn merkwaardige veerkracht geeft.
Een naamloze, gescheiden Britse schrijfster woont een winter lang in een klein appartement in het vijfde arrondissement. Ze probeert er een essay te schrijven over Gertrude Stein, de Amerikaanse dochter van Duits-Joodse immigranten die naar Parijs trok en er meer dan veertig jaar bleef. Daar ontmoette Stein Alice B. Toklas, en samen met haar broer Leo runde ze een salon waar Matisse, Picasso en Cézanne over de vloer kwamen, tot broer en zus voorgoed uit elkaar groeiden.
Die geschiedenis kent Levy grondig. Ze vertelt ze niet in één keer, maar druppelsgewijs, telkens wanneer de verteller er in haar eigen zoektocht behoefte aan heeft. Zo krijgt het geheel iets van een gesprek met een oudere, wijzere vriendin, die nooit vermoeiend wordt omdat ze weet wanneer ze moet zwijgen.
Rond die verteller staan twee vriendinnen, allebei in een enkele beweging stevig neergezet. Fanny, Française en werkzaam in de hoge financiën, polyamoreus en scherp van tong, draagt onder die scherpte de wonde van een vader die haar homoseksualiteit nooit heeft aanvaard, en precies die wonde maakt haar breekbaar. Eva, half Spaans half Deens, is striptekenares met een man in Seattle die ze amper ziet, en waar haar engelachtige uiterlijk iets beloftevols suggereert, blijkt ze zakelijk onverbiddelijk zodra ze zich de essay-opdracht van de verteller toe-eigent.
Wat hen verbindt is de vermiste kat van Eva. Dat dier blijft aanvankelijk naamloos, want Levy noteert het met een kleine letter, het, tot een van de vriendinnen het beestje op een dag Bob doopt. Van dat verschil tussen het en Bob maakt zij een spil waarrond de hele tekst draait.
Zomerse kusjes van mij en het.
Ik was even kwijt wie het was maar toen schoot me te binnen dat het de naam van haar kat was. Op de andere kant van de kaart had Eva het als olympische fakkeldrager van Parijs 2024 getekend in een trainingspak en limoengroene hardloopschoenen. De kaart was alleen aan mijn voornaam gericht.
(…) Een week voor zijn verdwijning had onze wederzijdse vriendin Fanny, die iets financieels deed, Eva's kat omgedoopt tot Bob. Fanny droeg een ceintuur die haar smalle heupen omsnoerde, had heldere, stralende ogen, siersteentjes op haar nagels, en liep vaak met een sigaret die onder haar ceintuur stak.
(pagina 7)
Het kwijtraken van iets, het niet meer kunnen begrijpen, het weggeglimlacht worden, het ondermijnd zijn: telkens keert diezelfde klank terug. Zo weinig als een taalspel op het eerste gezicht ook lijkt, zo veel gewicht krijgt het naarmate het boek vordert.
Wat mij bovendien trof, is hoe Levy de actualiteit niet buitensluit maar net binnenlaat als een tochtige kier.
 
De eenentwintigste eeuw was een twintiger. Altijd een turbulente periode. Wij waren de gelukkigen. Wij lagen niet onder het puin. Wij zaten op onze schermen en scrolden, scrolden, scrolden door de diverse oorlogen in het vierentwintigste jaar van de eenentwintigste eeuw. Tussen het schrijven van mijn essay over Gertrude Stein en het scrollen door het nieuws wandelde ik even naar de markt om zoete, knapperige appels uit Normandië te kopen.
(pagina 11)
Die twee tijdlagen, het Parijs van het interbellum en het Parijs van vandaag, laat Levy zonder enige geforceerdheid in elkaar overvloeien. Dat is een compositorische vondst die ik zelf met graagte zou hebben uitgeprobeerd.
 
Twee dagen geleden, op de Marché des Enfants Rouges in de Marais, de oudste overdekte versmarkt in Parijs, schoot er een grijs gestreept katje onder de tafels van het Marokkaanse tentje door dat Eva en ik hadden uitgekozen voor de lunch. Eva pakte het op en voerde het flinters kip. De markt was vernoemd naar de kinderen die rode kleding droegen in het weeshuis ernaast, dat in de zestiende eeuw was gesticht. Rood was de kleur die symbool stond voor christelijke liefdadigheid en het was ook de kleur van Eva's lippenstift. Ze vertelde me dat haar graphic novel over haar familie ging, vandaar dat ze geïnteresseerd was in ‘The Making of Americans’ van Gertrude Stein. Om die reden had Eva het altijd bij zich op haar Kindle, dus lazen we samen een paar pagina's terwijl het katje op haar knie sliep.
(pagina 89)
De verteller wil in Stein vooral iemand vinden die weigerde begrepen te willen worden. Daarmee had Stein, naar het aanvoelen van de verteller, misschien wel de enige eerlijke manier van leven gevonden. Ongrijpbaarheid wordt hier niet als tekortkoming voorgesteld, maar als een vorm van vrijheid. Die omkering klinkt eenvoudig zodra ik ze hier samenvat, maar Levy houdt ze overeind dankzij een ongelooflijke lichtheid aan portretten en zijsprongen.
Een enkele scène volstaat haar om een personage voorgoed vast te leggen. Denk aan de kunstenaar bij wie een dokter een nest wandluizen uit het oor moest verwijderen, of aan de schilderes die een dronken Modigliani van de trap duwde om vervolgens onverstoord de kip verder te snijden. Met even weinig woorden tekent zij Stein zelf, een vrouw die zo vooruitstrevend was dat ze nooit leerde achteruitrijden met haar Ford.
Er schuilt in dit boek ook een gedachte die veel verder reikt dan Stein alleen. Taal laat zich nooit in één enkele laag vatten, en iedere poging om iets definitief te zeggen roept vanzelf een volgende laag van betekenis op. De verteller ervaart dat aan den lijve wanneer ze Stein probeert te doorgronden. Levy laat haar daarom nooit tot een sluitend besluit komen, want een essay dat Stein volledig zou vatten, zou aan Stein zelf ontrouw zijn.
Die houding staat niet ver af van de sfeer in de salon die Stein ooit zelf runde. Daar waren ook Jean Cocteau, Man Ray, Ezra Pound en de beeldhouwer Lipchitz met enige regelmaat te gast, en niemand koesterde er de illusie dat het laatste woord over kunst of taal ooit gesproken kon worden.
Aan het einde kondigt Eva aan dat het essay over Stein toch nooit geschreven zal worden. De lezer weet natuurlijk beter: het boek dat wij net gelezen hebben, is dat essay, in de vorm van een fictie die zichzelf voortdurend tegenspreekt en juist daardoor overtuigt.
Dat procedé plaatst Levy in een traditie die veel ouder is dan het hedendaagse experiment. Ook Montaigne noemde zijn Essais een beproeving eerder dan een afgerond oordeel, een voortdurend zoeken dat zichzelf nooit als voltooid beschouwde. Perec op zijn beurt bouwde in La Disparition en in W ou le souvenir d'enfance een boek rond net dat wat ontbreekt of niet verteld kan worden, zodat de leemte zelf de vorm gaat dragen.
Het is vooral die verwantschap met Montaigne en Perec die me is bijgebleven. Beiden laten zien dat een tekst juist door haar eigen tekortkoming te erkennen, een grotere waarheid kan bereiken dan een boek dat alles netjes afrondt.
De stelling waarmee ik begon, dat ik dit boek zelf best had willen schrijven, slaat in eerste instantie op de losse hand en de ongedwongen geleerdheid waarmee Levy het heeft opgebouwd. Ze slaat niet op een gevoel van overweldiging dat ik na de laatste bladzijde zou hebben overgehouden, want dat gevoel is bij mij uitgebleven.
Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein is een boek dat zijn eigen gelaagdheid ernstig neemt en zich net daarom weigert af te ronden. Wat mij vooral bijblijft, is dat kleine woordje het, dat pas verandert in Bob wanneer de kat een naam krijgt. Datzelfde woordje staat hier immers evengoed voor het verstand, voor de gewenning aan het onbegrijpelijke of voor het eigen ondermijnd zijn.
Daarachter schuilt een vraag die vanuit vrijzinnig-humanistisch oogpunt alleszins relevant is: wat moet een mens bereid zijn los te laten aan zekerheid, aan erkenning, misschien zelfs aan het verlangen om ten volle begrepen te worden, om toch nog vrij en oprecht iets nieuws te durven denken en schrijven.
 
Benny Madalijns
Vertaald door Astrid Huisman

Deborah Levy
Benny Madalijns
fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies