8 september 2026
Mijn leven in theorie. Over moderne Franse filosofen
De Amerikaanse journaliste Emily Eakin is senior redacteur bij de New York Times Book Review en dit is haar eerste boek, oorspronkelijk verschenen als 'The Frenchmen, or My Life in Theory'. De Nederlandse vertaling verscheen onlangs bij Uitgeverij Athenaeum. Eakin verweeft daarin haar eigen vorming als student aan Harvard met de levens en ideeën van de denkers Derrida, Foucault, Barthes, Lacan, Deleuze, Guattari, Althusser en Paul de Man. Haar uitgever omschrijft het boek zelf als het verhaal van haar jeugdige liefdesaffaire met de Franse theorie.
Een van hen droomde ervan romanschrijver te worden. Een ander werd door de surrealisten op het schild geheven en als een van hen beschouwd. Een werd van school gestuurd omdat hij Joods was. Een schreef antisemitische artikelen voor een pronazikrant. Een zakte meermaals voor het toelatingsexamen van de universiteit. Twee hadden buitenechtelijke kinderen. Een pleegde bigamie. Een werkte in een experimentele psychiatrische inrichting waar patiënten en personeel als gelijken samenleefden. Een was geobsedeerd door knopen. Een belazerde zijn vrienden en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf. Een liefhebbende in sm. Twee deden een zelfmoordpoging. Een stierf toen hij bij het oversteken van de straat werd aangereden door een stomerijbusje. Een pleegde zelfmoord door uit een raam te springen. Een vermoordde zijn echtgenote.
Als je alleen hun filosofische werken zou lezen, dan wist je dat allemaal niet. Het was misschien nooit bij je opgekomen dat deze filosofen liefde, lust, waanzin, hoop, afgunst, haat en diepe wanhoop hebben ervaren. Het was misschien nooit bij je opgekomen dat ze niet alleen een geest maar ook een lichaam hadden.
Toen ik hun werk las, vergat ik bijna dat ik er zelf een had.
(Voorwoord. Het leven van de Franse filosofen)
Alleen al de inhoudsopgave, verdeeld over de vier delen Moord, Waanzin, Woorden en Uitvluchten, verraadt de toon van het boek. Ernst en luchtigheid lopen er voortdurend naast en door elkaar. Naast hoofdstukken over Althussers fatale worsteling met zijn huwelijk en Foucaults onderzoek naar de geschiedenis van de gekte duiken er koppen op als “De Chomsky-hasj” en “In de sauna”. Diezelfde speelsheid keert terug in het slotdeel, waar Eakin de felste kritiek op de deconstructie zelf aan het woord laat in hoofdstuktitels als “Rijkelijk bestrooid met flauwekul” en “Een enorme oplichter”. Als klap op de even spreekwoordelijke vuurpijl sluit Eakin het boek dan maar af met een hoofdstuk dat simpelweg “De afgrond in” heet.
Haar vader, een gepensioneerd professor Amerikaanse letterkunde, was een uitgesproken francofiel die zijn gezin tijdens zijn sabbaticals resoluut meenam naar Europa. Zo woonde Eakin als kind, in het begin van de jaren zeventig, met haar ouders in Parijs, op wat zij zelf omschrijft als het staartje van de structuralistische golf.
Een van haar vroegste herinneringen is dat haar moeder te laat kwam om haar op te halen aan de maternelle, omdat een lezing van Claude Lévi-Strauss was uitgelopen. Toen Eakin twintig jaar later als student aan Harvard in de ban raakte van diezelfde Franse denkers, viel ze dan ook, in haar eigen woorden, voor iets wat haar al vertrouwd voorkwam.
Een foto op bladzijde vierentwintig typeert die achtergrond treffend. Als kind bekeek Eakin foto's van haar vader, die als student vanaf januari 1960 een jaar in Parijs doorbracht en er op een donkere studentenkamer in het Quartier Latin woonde. Op die foto's droeg hij steevast een coltrui en een bril met zwart montuur, de typische look van de existentialist van toen, al herkende Eakin die stijl op dat moment nog niet.
Op een van die foto's hield hij een exemplaar van de linkse krant Combat in zijn hand, met de schokkende kop “Albert Camus est mort”. Eakin had op dat moment nog nooit van Camus gehoord, maar de gedachte dat de dood van zo iemand toen nog voorpaginanieuws kon zijn, maakte naar eigen zeggen diepe indruk op haar.
Nuja. Er is iets grappigs aan de geschiedenis van wat men in de Verenigde Staten simpelweg “theory” is gaan noemen. Een handvol Franse denkers, onder wie Derrida, Foucault, Barthes, Lacan, Deleuze, Althusser, Guattari en de Franstalige Belg Paul de Man, schreven teksten die in eigen land vaak met argwaan of onverschilligheid werden ontvangen. Aan de andere kant van de oceaan kregen diezelfde teksten echter een gretig, soms bijna religieus extatisch publiek.
Wat in Parijs een voetnoot bij het structuralisme bleef, werd in New Haven, Yale en Cornell een nieuwe orthodoxie. Die gang van zaken zegt minstens evenveel over Amerika als over Frankrijk.
Eakin zelf had, zoals hierboven al bleek, een voorsprong op de meeste van haar Harvard-generatiegenoten. Ze had het Parijse klimaat waarin die denkers furore maakten immers al als kind aan den lijve ondervonden, jaren voordat ze aan de teksten zelf begon.
Op het hoogtepunt van de French theory-rage in Amerika aan het eind van de jaren tachtig raakte ik als achttienjarige tweedejaarsstudent aan Harvard in de ban van die Franse denkers. In het spiraalblok dat mijn huisgenoten en ik onder een hoek van het tapijt in onze woonkamer bewaarden – ons 'onder-het-tapijt-boek' – noteerden we grappen, gespreksfragmenten, passages uit boeken die we lazen. Mijn huisgenoten, allebei masterstudent Engels, krabbelden er regels uit Milton en Woeste Hoogten in. Ik, literature concentrator, zoals de studenten werden genoemd die voor de studierichting French theory hadden gekozen – schreef er alinea's van Derrida in over. In mijn papers doken voortdurend verwijzingen naar die theory op; zo stond er in een essay over Wordsworth voor een college over negentiende-eeuwse Engelse poëzie een opmerking over een 'zonnig derridiaans plateau', die ik nu totaal niet meer snap.
(pagina 21)
Een van de monstres sacrés waarover het boek gaat, is Jacques Lacan. Eakin wijdt aan hem, het hoofdstuk “De vreemdeling in de spiegel” (H14, pp. 144 -152). Ik focus er hier graag op, ook omdat ik zelf al lang gefascineerd ben door spiegels en spiegelingen: de spiegel als een soort opperste rechter over wie we denken te zijn.
Lacan presenteerde zijn theorie van het spiegelstadium voor het eerst in 1936 op een congres van de Internationale Psychoanalytische Associatie, maar zijn gehoor toonde nauwelijks belangstelling. Pas in 1949, op het eerste naoorlogse IPA-congres in Zürich, bracht hij een grondig herwerkte versie.
De kern van de theorie is dat een baby tussen zes en achttien maanden zichzelf leert herkennen in een spiegel, lang voordat hij zijn eigen lichaam functioneel beheerst. Die spiegel toont een samenhangend, volmaakt beeld, terwijl het kind zijn lichaam in werkelijkheid nog als gefragmenteerd ervaart. Precies die miskenning legt volgens Lacan de grondslag van het latere ik.
Het concept opent bovendien de weg naar wat Lacan later de symbolische orde noemde, de intrede van het kind in de taal. Daaruit stamt zijn bekende stelling dat “het onbewuste gestructureerd is als een taal”. Aan de hand van klinische gevallen van paranoia toonde hij verder aan hoe identiteit telkens wordt opgebouwd uit beelden die van buitenaf komen.
Het middelpunt van heel het gebeuren was ongetwijfeld Jacques Derrida en zijn deconstructie. Wie op zoek gaat naar een sluitende definitie van dat begrip, komt bedrogen uit. Derrida zelf hield zich angstvallig afzijdig van elke poging tot omschrijving, alsof elke vaste definitie zijn eigen begrip zou tegenspreken.
Deconstructie is geen leerstelling, geen stappenplan, geen filosofisch systeem. Het is eerder een manier van lezen die blootlegt hoe in teksten voortdurend spanningen en tegenstrijdigheden schuilen, hoe de vermeende stabiliteit van betekenis uiteenvalt zodra men er lang genoeg naar kijkt. Precies die ongrijpbaarheid maakte het begrip tegelijk aantrekkelijk en verdacht. Ook voor Amerikanen; zeker voor Amerikanen.
Voor de een was het een bevrijdende ontmaskering van elke pretentie op absolute waarheid. Voor de ander was het niet veel meer dan een geleerd klinkende manier om niets te zeggen.
Franse theorie vond in de late jaren zestig en de jaren zeventig vooral ingang via de letterkundige faculteiten, en niet via de filosofie-departementen waar de meeste van deze denkers oorspronkelijk actief waren. Dat gebeurde net op het moment dat de Amerikaanse campussen in rep en roer waren door protest tegen de Vietnamoorlog, racisme en seksisme, een klimaat dat openstond voor nieuwe vormen van kennis.
De toen dominante “New Criticism” beschouwde literaire teksten als afgeronde kunstwerken, los van hun historische en politieke context. Franse theorie brak daar radicaal mee en bracht een golf van kritische energie op gang, waarbij geen enkele tekst nog immuun bleek voor structurele analyse.
Allan Bloom werd de belangrijkste stem van die achterdocht. In The Closing of the American Mind, dat in 1987 verscheen bij Simon & Schuster en uiteindelijk bijna een half miljoen exemplaren in hardback verkocht, zette hij deconstructie en aanverwante importproducten weg als een instrument waarmee een generatie Amerikaanse studenten uit de jaren tachtig van elk houvast werd beroofd. In de Nederlandse vertaling van Eakins boek wordt Blooms titel overigens weergegeven als De gedachteloze generatie.
Roger Kimball voegde in Tenured Radicals: How Politics Has Corrupted Our Higher Education, dat in 1990 verscheen bij Harper & Row, een even felle stem toe. Voor Kimball was theorie linguïstische volksverlakkerij, jargon dat het eenvoudige leesplezier in de weg stond.
Het schandaal rond Paul de Mans voormalige medewerking aan een naziblad in bezet België kwam pas in 1987 aan het licht, na zijn dood, en gold voor velen als het begin van het einde van de gloriejaren van “de Franse theorie”. Toevallig verscheen dat jaar ook Blooms boek, en enkele jaren later publiceerde Harold Bloom, geen familie van Allan, met The Western Canon in 1994 een gelijkaardige verdediging van de traditionele canon.
Wat volgde was wat in de Amerikaanse academische wereld “de canon” wars zijn gaan heten: een verhitte strijd over welke boeken nog een plaats verdienden op de literatuurlijsten van universiteiten, en over de vraag of een handvol moeilijk toegankelijke Franse filosofen het fundament van het geesteswetenschappelijk onderwijs mochten herschrijven. Zelfs politieke zwaargewichten mengden zich in het debat: figuren met een uitgesproken conservatieve agenda zagen in de opmars van theorie een aanval op de westerse traditie zelf.
Het paradoxale is dat precies die ontoegankelijkheid, die weerbarstigheid, een deel van de aantrekkingskracht uitmaakte. Voor studenten die zich verveelden bij een positivistische, ogenschijnlijk neutrale literatuurwetenschap bood “de Franse import “een spannend perspectief: de wereld begrijpen, en misschien zelfs veranderen, door de meest fundamentele aannames over waarheid, macht en het individu op de proef te stellen.
Onder al die verschillende stromingen, van marxisme en psychoanalyse tot structuralisme, poststructuralisme en postmodernisme, school één gemeenschappelijke overtuiging. Taal is niet een neutraal, doorzichtig medium waarmee we de werkelijkheid beschrijven, maar een systeem dat mee bepaalt hoe we de werkelijkheid en onszelf begrijpen.
Dat inzicht stond haaks op het existentialisme van Sartre, dat nog uitging van een heroïsch, autonoom subject dat aan zijn eigen bestaan betekenis kon geven. Het structuralisme en wat daarna kwam, ontnamen de mens net dat privilege. Niet de spreker beheerst volgens deze denkers de taal, maar de taal bepaalt mee hoe hij kan denken en spreken.
Derrida's beroemde uitspraak dat er geen “buiten-de-tekst” bestaat, vat die omwenteling samen. Onze kennis van de wereld is volgens hem nooit los te maken van het discours waarin ze wordt geformuleerd.
Die gedachte werd, eenmaal geland op Amerikaanse bodem, van een filosofisch instrument omgesmeed tot een politiek wapen. Een generatie academici die opgroeide te midden van de burgerrechtenbeweging en het verzet tegen de Vietnamoorlog, herkende in de Franse theorie een precisiegereedschap om ongelijkheid en uitsluiting op te sporen in teksten, films, reclame en architectuur.
“Verander het discours en je verandert de wereld” werd de strijdkreet van een theorie die niet langer alleen literaire teksten wilde ontleden. Ze wilde de samenleving zelf herschikken langs de lijnen van gender, ras en klasse.
Wat die hele geschiedenis uiteindelijk oplevert, kan je best benoemen als een “dubbelzijdig stukje erfgoed”. Enerzijds hebben deze denkers ons geleerd wantrouwig te zijn tegenover elke pretentie van neutraliteit. Geen enkel discours, geen enkele institutie, geen enkele staatsmacht bezit het volledige narratief over onze wereld.
Taal is te instabiel, te zeer met zichzelf in tegenspraak, om ooit volledig door macht te worden beheerst. Dat is een winst die verder reikt dan de universitaire seminaries waarin ze werd uitgedacht: het is een les in intellectuele bescheidenheid.
Anderzijds heeft diezelfde ontmaskering van elke autoriteit over betekenis ook een probleem blootgelegd waarmee we vandaag nog steeds zwaar worstelen. In het tijdperk van sociale media, algoritmisch gepersonaliseerde informatiestromen en kunstmatige intelligentie die teksten genereert zonder auteur, ontstaat onvermijdelijk een wildgroei aan concurrerende interpretaties zodra niemand nog het laatste woord kan opeisen over wat iets betekent.
Eakin illustreert die hedendaagse relevantie treffend aan de hand van Foucaults panopticon, het achttiende-eeuwse gevangenismodel waarin gedetineerden zich voortdurend bekeken wanen en daardoor zichzelf gaan controleren. Nu werkgevers toetsaanslagen monitoren en overheidsdiensten burgers via gekoppelde databanken volgen, noemt zij het panopticon een sterke kanshebber om als metafoor voor onze tijd te dienen.
“Welke beschaving toonde, zo lijkt het, meer eerbied voor het discours dan de onze?”, vroeg Foucault zich af in zijn inaugurale rede aan het Collège de France, op 2 december 1970 uitgesproken en het jaar daarop gepubliceerd als L'Ordre du discours. Vijftig jaar later, in een tijdperk van algoritmisch gestuurde informatiestromen, klinkt die vraag onverwacht actueel.
Feiten verliezen dan hun gezag te midden van talloze concurrerende “narratieven”, en waarheid zelf wordt een strijdperk. De Franse filosofen waren daar niet als enigen verantwoordelijk voor, maar hun diagnose van de instabiliteit van taal blijkt achteraf profetischer dan wie ook onder hen had kunnen vermoeden.
Wie de balans opmaakt, moet toegeven dat we, tegen wil en dank, allemaal een beetje Franse filosoof zijn geworden. We zijn geoefend geraakt in het decoderen van tekens en wantrouwig tegenover elke schijn van vanzelfsprekendheid. Diezelfde vaardigheid tot decoderen kan echter evengoed een instrument van manipulatie zijn als een instrument van bevrijding.
Benny Madalijns