Jan Oegema
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 1873 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

16 maart 2021 Rilke en de wijsheid. De kunstenaar als leraar
Hoe zou ik niet kunnen komen wanneer u mij roept, dierbare meester? De gedachte zozeer in uw nabijheid te leven, brengt me het hoofd op hol. O ja!, ik wil graag bij u zijn en ik wil luisteren, wanneer u zich verwaardigt met mij te spreken (Rilke, ´Brief aan Rodin´, 6 september 1905). (1)
_Inleiding
Ik hou me nog maar sinds kort, en voor het plezier, bezig met de verfijnde activiteit van het recenseren van aan kunst & filosofie gelinkte boeken, en uit een van mijn vorige levens herinner ik me wel het een en ander af van de do’s en don’ts hieromtrent. Maar hoe ga je ‘bij toutatis’ van start met een boek over één van je lievelingsauteurs? Een boek over de bedenker van mijn all-time favoriete boek: De aantekeningen van Malte Laurids Brigge. Ook wel ‘de gefingeerde notities van een jonge kunstenaar op zoek naar zichzelf’ genoemd. Een gepatenteerd cultboek dat al ruim honderd jaar doorgaat voor de eerste modernistische roman van de twintigste eeuw. Van één van de belangrijkste lyrische dichters in de Duitse taal. Én bovenal de schrijver van ronduit majestatische inzichten als: kunstenaar zijn betekent: niet rekenen en tellen; rijpen als de boom die zijn sappen niet opstuwt en die rustig in de voorjaarsstormen staat zonder bang te zijn dat er geen zomer zal volgen. De zomer komt toch (Rilke, 2004:17).

Het eind februari verschenen boek van Jan Oegema over de op 4 december 1875 te Praag geboren.
Rainer Maria Rilke als ‘kunstenaar, leerling én leraar’ ligt voor me als een maagdelijk, nog ongeschonden hebbeding. Idee van het boek: leerling zoekt meester, ondergaat grote verandering en emancipeert zich van de meester. Ik ben benieuwd hoe hij mijn favoriete schrijver zal portretteren. Als een wereldvreemde dromer of toch als een mens van vlees en bloed? Een grootmoedige idealist met een zwaarwegend mensenhart?
Tijd voor actie dus. Want hoe ga ik er anders voor zorgen dat ik weer een vinkje op het boekenlijstje kan zetten? Even niet nadenken maar doen – dan komen de antwoorden wel vanzelf, lispel ik binnensmonds. Beginnen lezen draait tenslotte die unieke pauze-knop ‘voor weer meer begrip en inzicht’ om. Tijd dus, om met de schrijver mee na te denken over de kunstenaar als leraar. En ook over de schok van de wijsheid, de bewondering en de aanhankelijkheid. Want er zijn zoals Nietzsche ooit schreef, nu eenmaal mensen die je meer kunt vertrouwen dan jezelf: weil man ihm mehr vertrauen würde als sich selbst. Een cruciale zinssnede uit Nietzsches bewonderende portret van Schopenhauer (p. 76).(2)

Afijn, Rilke is nu eenmaal het prototype van een dichter. Iemand die in zijn schrijfsels steeds weer opnieuw herhaalt dat je goed in de gaten moet houden of het tijd is om je leven te veranderen. Maar waarom heeft een dichter al met al een leermeester nodig én wat kunnen beiden finaal voor elkaar betekenen?

Rilke is al een tijdje op zoek naar een lichtend voorbeeld en grijpt zijn kans wanneer een uitgever hem in het voorjaar van 1902 benadert met het verzoek een monografie te schrijven over de beeldhouwer Auguste Rodin: “(…) het is niet alleen om een studie aan u te wijden, dat ik bij u gekomen ben – het was om u te vragen: hoe moet men leven? En u hebt mij geantwoord: door te werken. En ik begrijp het terdege. Ik besef dat werken leven zonder doodgaan is. Ik ben vol dankbaarheid en vreugde.” (p. 22-23)
Als Rilke in augustus 1902 naar de Franse hoofdstad afreist is hij ontegensprekelijk op zoek naar het archetype van ‘de wijze’ en heeft hij geluk: (…) “Rodin laat zich die rol gewillig aanleunen. Dit is de man die hij wil: een wijze die de taal spreekt van de kunst. Een jonge dichter met een enorm verlangen en een gearriveerde beeldhouwer die met nietszeggende opmerkingen zich uitstekent leent als projectiescherm.” (p. 62) Rodin wijst hem al vrij snel op het belang van ‘het observeren’ in de kunst: “Ik leer zien. Ik weet niet, waar het aan ligt, alles dringt dieper in mij door en houdt niet op bij de plaats, waar het anders altijd een eind vond. Ik heb een innerlijk, waar ik niets van wist. Alles gaat daar nu heen. Ik weet niet, wat daar nu gebeurt.” (Rilke, 1951:8) (3)

Innerlijkheid, het absolute grondwoord in Rilkes toentertijdse, belerende beschouwingen: (…) iets vreemds, iets dat wel in mij is maar niet vàn mij; het spreekt een taal die ik veelal met moeite herken en waarnaar ik nochtans heb te luisteren. Iets waaraan je gehoorzaamt door ‘hinein zu horchen’, naar binnen te luisteren (p. 53).

Naast het proefhoudende gebruik van zijn ‘naar-binnen-luisteren-trukendoos’ leert Rodin (net als  Cézanne trouwens) Rilke nauwlettend kijken. Dat méér dan zien krijgt zijn weerslag in zijn enige roman - waaraan hij in 1904 begon, maar die hij pas in januari 1910 voltooide, het eerder geciteerde Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge. Het boek met de beroemde openingszin: So, also hierher kommen die Leute, um zu leben, ich würde eher meinen, es stürbe sich hier - Hierheen komen de mensen dus naar toe om te leven, ik zou eerder denken dat men hier zou sterven (Rilke, 1951:7).

Het dagboek van Brigge is in existentiële vertwijfeling ver vooruit op het gros van de andere in dit tijdscharnier gepubliceerde boeken. Malte Laurids Brigge, een jonge Deen, én laatste telg uit een adellijk geslacht, woont in de eerste jaren van de twintigste eeuw heel eenzaam en armoedig in Parijs. Zijn aantekeningen lijken nog het best op een dagboek vol herinneringen, uitweidingen en citaten waarin Rilke veel autobiografisch materiaal verwerkt. De plaats van handeling is vooral de buurt rondom de Jardin du Luxembourg. Een buurt die Rilke blijkbaar erg goed kent, want hij woonde er op verschillende adressen.
_Heiligheid
Als een vriend van een vriend plotseling sterft, in het najaar van 1906, schrijft Rilke naderhand in een in-memoriamgedicht: ‘Overwinnen zeg je? Uithouden, dat is al.’ (Wer spricht van Siegen? Überstehen ist alles.’). Dat is de kernzin van een kunstopvatting waarbinnen geduld en stilte, innerlijkheid en heiligheid sleutelwoorden zijn (p. 16). Heiligheid, hoor ik jullie nu denken. Hoezo?

Wel, in een van de brieven die Rilke schrijft na een bezoek aan Le Grand Palais, waar hij in oktober 1907 - het jaar waarin Picasso zijn Demoiselles d'Avignon schildert, tijdens Le Salon d’Automne een vijftigtal schilderijen van Paul Cézanne kan bewonderen, omschrijft hij de meester als ‘de ziener’ die de werkelijkheid zakelijk, zonder oordeel, zonder selectie en zonder idealisering, die de dingen in hun dingachtige werkelijkheid bevestigt. De werker die met onvoorwaardelijke toewijding zijn taak verricht, dag in dag uit: “(…) hij laat zijn werk ontstaan zoals het moet ontstaan, zonder hulp van boven of buiten. Hij laat zich leiden door de vragen die elk nieuw doek oproept, en dit geheel los van de heersende esthetische opvattingen. Daarom, of ook daarom, mag hij in Rilkes ogen aanspraak maken op heiligheid.”(p. 52)

Cézanne staat volgens Rilke boven de wet omdat hij zelf de wet is, een voorrecht dat hem toekomt vanwege diens kolossale verdienste voor de mensheid: (…) “hij heeft een eind gemaakt aan achttien eeuwen christelijke lichaamsverachting en met zijn imposante naakten de mens haar lichaam teruggeven. Rilke idealiseert hem dus bovenmate, om redenen die voor een nuchtere buitenstaander slechts gedeeltelijk vallen te reconstrueren.” (p. 79)

Terwijl zijn vroegere gedichten sterk emotioneel geladen waren vertrok hij nu van een object (oprechte waarnemingen van een plant, een dier...) waarvan hij na intense objectieve observatie het meest essentiële, de kern probeert weer te geven zodat een soort dialoog ontstaat tussen dichter en object. Zijn belangrijkste dichtwerken uit de Parijse periode zijn de Neuen Gedichte (1907), Neuen Gedichte anderer Teil (1908) en de beide Requiem-gedichten (1909).

Boven de Neue gedichte-bundels schittert de ster van Rodin, de leraar aan wie hij het tweede deel opdraagt en die hij samen met Cézanne beschouwt als inspirator van de grote idee daarvan: het zakelijke zeggen, ‘das sacliche Sagen’ (p. 124). Één van de literaire hits uit beide bundels is het gedicht ‘Archaïsche torso van Apollo’. Een gedicht dat zich laat begrijpen als een uiterste concentratieoefening, meer in het bijzonder een kijk-, denk- en vormgevingsoefening. Met als doel voorgoed los te komen van zijn eigen persoontje en om de geest te disciplineren. Of, om het met een bekende metafoor uit de beste spirituele tradities te zeggen: zijn geest te zuiveren (p. 125).
‘Archaïsche Apollotorso’ is beroemd geworden omwille van de zin ‘Du musst dein Leben ändern’. En punt, geen uitroepteken. Hieraan kan je aflezen hoezeer Rilke de lessen van zijn leermeester Rodin ter harte neemt. Onderzoek als kunstenaar wat het is om louter instrument te zijn. Laat het materiaal het werk doen, laat zo min mogelijk sentiment toe. Kijk. Studeer. Vergelijk. Verzamel kennis. En vooral: leg primaire gevoelens zoveel als mogelijk het zwijgen op (p. 300). Stel je voor: een beeld in een museum, de torso van een man, een bordje aan de muur vertelt dat het om een Apollo gaat, de zoveelste eeuw voor Christus. Het bordje vertelt niet waar zijn hoofd nu is en waar zijn armen. Toch weet je je door dit krachtige stenen lijf aangestaard, het doet niet anders dan kijken, het is een en al oog. Geen plek op zijn lichaam die jou niet ziet. En je weet: als de god zich speciaal tot jou richt, dan is er geen ontkomen aan. Dan staat de boodschap gelijk aan een bevel: (…) “Niet elke leraar heeft het statuut van een Socrates of een Thich Nath Hanh, ik heb Rilke te nemen zo mooi en zo lelijk als hij is”.

Wij zagen nooit zijn ongekend gezicht,
de oogappels die daarin rijpten. Maar
zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,
nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in ’t zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar ’t midden toe dat het geslachtsdeel droeg.
Anders stond deze steen geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,
en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met leven kun je niet.

‘Du musst dein Leben ändern.’


Dit is wat ik zoek in literatuur en kunst, schrijft Oegema: (…) Het bondgenootschap van schoonheid en wijsheid, wie weet ouder dan de zonde (maar wat betekent dat precies?), in elk geval ouder dan Plato, want het beeld uit het Louvre blijkt uit de zesde eeuw voor Christus (p. 302-304).
Als er al een bevel klinkt, dan niet van buitenaf maar van binnenuit... niets enger dan dat. Dit is de schrik, dit is de schok van de wijsheid. Eens te meer, in dit geval, omdat die boodschap afkomstig is van een gehavende, verminkte god. Goden in dat genre bezitten een autoriteit waartegen protest vanuit spiritueel oogpunt bezien buitengewoon onverstandig is: Zelfs een god die geen aandacht meer krijgt/ houdt vast aan ruimte en tijd/ en een god die ons bedreigt/ doet dat uit ledigheid’. (4)
_Wijsheid
Naarmate Rilke ouder wordt stijgt de roem hem zichtbaar naar het hoofd en raakt hij overtuigder van zijn meer dan briljante genialiteit. Geen leuke dingen, zeker niet voor een zelfbenoemd spiritueel en bovenal charismatisch leraar. Kan je naar hem verlangen en hem tegelijkertijd haten, vraagt Oegema zich af? Majeur probleem natuurlijk als de leraar tijdens zijn zoektochten naar wijsheid, de leerling in zichzelf kwijtraakt.

Nuja. De wijsheid waar Oegema en Rilke hun ganse leven naar op zoek zijn heeft voortdurend een nieuwe taal nodig, altijd weer. Beide heren van stand zijn nu eenmaal op zoek naar een soort wijsheid die frustreert én ontregelt. Niet uit nijd of chagrijn. Nee, gewoon omdat ze niet anders kan, want: er is honger naar wijsheid, er is honger naar kneedbare ruimte, er is honger naar wijsheid, naar heelhuids weten… (5)[i]

Wijsheid: dat woord is me dierbaar: (…) “Als ik kunst en literatuur ergens om nodig heb, is het dat. Inzicht in het leven, inzicht in de mens, inzicht in geschiedenis en maatschappij. Sinds mijn zeventiende weet ik niet beter of ik zoek mijn gidsen onder kunstenaars, schrijvers en andere creatievelingen, dat is intussen een tweede natuur. Wijsheid is nog lang niet weg uit de kunst, om een reden die eigenlijk heel simpel is: ze brengt een eigen soort van radicaliteit met zich mee. Denk aan Chinese taoïsten in hun eentje rondscharrelend op hun heilige bergen, swami’s die in de brandende zon brandende kooltjes op hun hoofd leggen, woestijnvaders die dertig jaar doorbrengen boven op een paal, recluses die zich laten inmetselen en liedjes schrijven over dansen en blij zijn, een monnik die zich aan de middeleeuwse kloosterstress onttrekt cum libbelo in angelo, met een boekje in een hoekje…” (p. 304).
Denk aan dàt legertje bezielde anarchisten en de geschiedenis van de moderne kunst gaat er anders uitzien: (…) Joseph Beuys in een kooi met een coyote, Marina Abramovic die drie maanden lang in het MoMa bezoekers onbeweeglijk aanstaart, Jeroen Eisinga die zijn hoofd en naakte bovenlijf blootstelt aan een compleet bijenvolk – de avantgardisten van nu staan in een lange traditie van proefondervindelijke wijsheid en nemen daar met interesse kennis van. Beuys verdiept zich in het sjamanisme, Abramovic bereidt zich op haar beroemdste happening voor in een Tibetaans klooster, Eisinga komt op zijn enge idee na het zien van een foto van een Oekraïense monnik met een bijenbaard (p. 304).

Ergo. Kennelijk is er iets wat maar niet uit de kunst en de hoofden van kunstenaars wil verdwijnen. Iets ouds, iets primitiefs, iets waar Rilke op duidt met de titel van het hierboven geciteerde Apollo-gedicht: (…) Hij heeft het niet over een antieke of Griekse torso, een Mileense of een Peloponesische – hij heeft het over een archáïsche torso. Dat element in de titel zie je makkelijk over het hoofd. Het ondergaan van kunst en het ondergaan van een gedicht kán iets hebben van een oerervaring en om het meteen nog erger te maken: van een heilige ervaring. Ik merk dat als ik zo nu en dan Rilkes Apollogedicht herlees en wederom huiver vanwege die laatste regel. En ik realiseer me dat Rilkes werk al honderd jaar lezers dit soort schokken bezorgt en dat er nog altijd dichters zijn die hetzelfde lukt (p. 306).

Wijsheid die maar niet voorbij wil gaan dus. Die zich moeiteloos handhaaft, te midden van allerhande stromingen en modes. Wijsheid die steeds weer zoekt naar nieuwe manieren van uitdrukken, beducht als ze is voor de conventies en clichés van alle mainstream spiritualiteit en ander mindfullness gewauwel: (…) “Een steen in een slinger doen, flink zwenken, de steen loslaten, achternakijken en dan in een rechte lijn af op het punt waar je denkt dat hij je opwacht. Niet op de kaart volgen, nee, gokken waar de steen ligt en dan daarnaartoe, dwars door beekjes en struikgewas heen”. In de Zone leven geen mensen, misschien alleen doden. Hoe komt een mens aan gidsen? Waarom driehonderd bladzijden over Rilke? Ik heb daar geen bevredigend antwoord op, geen althans dat tegemoet komt aan burgerlijke logica of academische zindelijkheid. Het klopt niet en daarom klopt het (p. 309).

Het kan verkeren, zei Bredero.
Rilke sterft op 29 december 1926, net 51 jaar oud aan leukemie als een overtuigd beginner: “(…) niet met de kalmte van een groot ziener, zijn laatste maanden is hij een en al paniek, een en al onrust. Het is onthutsend om te zien hoe eerlijk hij daarover is.” (p. 22) Rilkes laatste dichtregels eindigen zonder punt ondanks het vrouwelijke volrijm: raunte/erstaunte.

Alles rief und raunte.
Misch nicht in dieses was dich früh erstaunte

Alles riep en fluisterde.
Verwar dit niet met wat je vroeg verbaasde (p. 296)

 
Hier staat: Wat gebeurt er? Kijkt mij aan. Help mij verdomme! 
Ik heb geen grip meer op mijn woorden.
Ook ik ben op de keper beschouwd slechts een mens van vlees en bloed…
_Samenhang
Rilke en de wijsheid bundelt dertien hoofdstukken vol gedichten, briefcitaten en meditatieoefeningen over een zeldzaam type Meister, iemand die moet dulden dat hij doorheen de jaren onveranderlijk blijft veranderen en als leraar hooguit geschikt is als richtingwijzer. De teksten staan bol van terloopse observaties die alras leiden tot intense beschouwingen over innerlijkheid, stilte, heiligheid en transmissie. Die denkbaar vertrekken vanuit eerder eenvoudige beelden maar al vlug opklimmen tot virtuoze metaforen omtrent vereerde (leer)meesters als Rodin, de verliefde liefdes van (leer)meesteres Salomé en een plenum van traditionele genderrollen tartende zangers van de dood en helpers in de rouw.

Een goed boek is mijns inziens buitengewoon meeslepend, en opdat het je de hele rit zou blijven prikkelen moet zowat alles met alles verbonden zijn. Die wezenlijke, onderlinge binding is een van de meest vodoening gevende aspecten van een ge(s)laagd boek als dit. En met dat soort, door Oegema opgehangen vervlechtingen krijg je natuurlijk de beoogde wijsheid en diepgang.

Welbeschouwd liet het me achter met een ietwat verward, maar terzelfdertijd subliem gevoel. De gewaarwording dat het toevallige gezicht van een (leer)meester niets bewijst; het is een masker en maskers zijn doorgaans niets dan leugens. Want wie doodeenvoudig ik schrijft op een leeg blad moet natuurlijk geen volledig beeldvlak vullen; de verhaalresten versmelten vroeg of laat sowieso (vloeiend, als vanzelf) met het aangeboden palet vol vermeende kennis en kundigheid. Wanneer men een persoon als Rilke van zijn wereld, en zodoende zijn vermeende ik van zijn voorgewend verhaal losweekt, blijft er niet veel meer dan een leeg gezicht over, een contour. Een ik-gezicht dat over iedereen en niemand steeds hetzelfde én tegelijk niets te zeggen heeft:

(…) “Er zijn een massa gezichten, want iedereen heeft er verscheidene. Er zijn mensen, die een gezicht jaren lang dragen, natuurlijk verslijt het, het wordt vuil, het slijt op de vouwen. Dat zijn de spaarzame, eenvoudige lieden; zij nemen geen nieuw gezicht, zij laten het niet eens schoonmaken. Het is goed genoeg menen zij, en wie kan hun tegendeel bewijzen. De anderen dat zijn niets meer dan slechte acteurs die doorlopend uit hun rol vallen, ze zetten griezelig vlug hun gezichten op, het ene na het andere, en dragen ze af.” (Rilke, 1951:8-9)
Illustratie: Paula Modersohn-Becker, portret van Rainer Maria Rilke (1906) © PAULA MODERSOHN-BECKER
_Noten
1  Rilke, R.M. (1985). Brieven aan een jonge dichter. Amsterdam: Balans

2  De sonnetten van Orpheus. Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Bert Karel Schreurs

3 Rilke, R. M. (1951). Dagboek van Malte Laurids Brigge. Amsterdam: Salamander editie

4 Versregels vol existentiële wijsheden uit de bucolische cyclus Boomgaarden (2016). Amsterdam: Athenaeum–Polak & Van Gennep

5 Lucebert (2002). Verzamelde gedichten 1952-1963. Amsterdam: De Bezige Bij
Jan Oegema
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. Hij is ondervoorzitter bestuursorgaan Instelling Morele Dienstverlening Vlaams-Brabant. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies