Jan Smet
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 657 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering boekreview

7 mei 2021 Duizend bommen en castraten
In de Brusselse Bozar kan je sinds 16 april de educatieve tentoonstelling Duizend bommen en castraten bezoeken. De expo schetst hoe censuur rond thema's als geld, drugs, racisme, taalgebruik of seks doorsijpelt in de stripliteratuur.
Naast de tentoonstelling is 'Duizend bommen en castraten' ook een boek waarin éminence grise Jan Smet (Turnhout, °1945), dé stripkenner met een lange staat van dienst in de stripjournalistiek, het astrante verhaal vertelt hoe allerhande puriteinen (met al te lange tenen) vanalles en nog wat trachtten te verbieden in Stripland. Hoe, naast journalisten en ander schoon volk, ook cartoonisten en stripauteurs steevast in de frontlinie staan wanneer het erop aankomt vrijuit te kunnen spreken. Ongeacht het thema! Want als we de vrijheid hebben, dan moeten we ze ook onvoorwaardelijk kunnen gebruiken. Toch? Waar en wie trekt de lijn tussen enerzijds de smaak van de auteur of lezers en anderzijds doelbewuste censuur? Waar begint censuur en waar eindigt zelfcensuur?
De titel van het boek is alvast een speelse verwijzing naar het debuut van kapitein Haddock in de befaamde Kuifje-serie. Als grofgebekte drinkebroer jaagt hij zonder mankeren scheldend zijn belagers op de vlucht. Niet per se een goed voorbeeld voor de jeugdige lezers, maar een meer dan aangename trusty sidekick van de al te deugdzame jonge reporter. Zijn legendarische kreet ‘Duizend bommen en granaten!’ doet alle andere krachtermen gewoonweg verbleken.

Waarschuwing: wat volgt is een bijwijlen trieste, soms verbijsterende, hier en daar lachwekkende, maar bovenal verbazingwekkende schaduwgeschiedenis van wat allemaal niet mocht van een bonte stoet moraalridders met oogkleppen én vergrootglas. Een nagenoeg drie kilo zwaar en rijk geïllustreerde pil die bol staat van doorheen de jaren verzamelde ergernissen én guilty pleasures uit strips die de fatsoennormen blijkbaar overschreden. 572 bladzijden lang gniffelen met tepels en onderbuiken die men alsnog wou verdoezelen en al te grote monden die men ‘koste wat kost’ wou snoeren. Censuur in stripverhalen was en is nu eenmaal een betreurenswaardig feit.
Stripcensuur is van alle tijden, maar Achim Schnurrers bewering (in zijn boek Comic: Zensiert), “Die Geschichte der Comics ist eine Geschichte der Comic-Zensur”, als zou de geschiedenis van het beeldverhaal meteen ook een geschiedenis van de stripcensuur zijn, klopt volgens Smet slechts ten dele.

Niet alle belangrijke strips uit de stripgeschiedenis kwamen ooit in het vizier van de censoren, maar het is wel zo dat zowel het stripgenre als specifieke strip, doorheen alle tijden bekritiseerd, geminimaliseerd, of gecensureerd werden. Strips lagen vanaf hun opkomst (de in 1894 in New York uitgebrachte publicatie The Yellow Kid wordt meestal als eerste strip aangewezen) onder het morele vergrootglas. Alleen al het gegeven van ‘louter plaatjes kijken’ stond al vlug gelijk aan een serieuze bedreiging van de leesvaardigheid. De lettertjes daarbij waren zo klein dat ze de ogen konden bederven.
In de ogen van de krententellende criticasters brachten stripfiguren de lezers bovendien op ongepermitteerde ideeën met hun spot om het gezag, het niet zo nauw nemen met de zeden en de wet. Om dan nog te zwijgen over de buitensporige geweldsuitbarstingen. Jeugdmisdadigheid wordt hierbij graag gekoppeld aan leesverslaving, een argument dat geregeld door censors gebruikt zal worden om het lezen van strips in een slecht daglicht te stellen. (p. 28-31)

In de VS liepen de gemoederen al in de jaren veertig van de vorige eeuw hoog op, toen psychiater Frederic Wertham vooropliep tijdens een campagne tegen comics. Ook hij zag een duidelijk verband tussen strips, met name die waarin criminaliteit en griezelen een rol speelden, en jeugdmisdaad. Het bleef niet bij oproepen tot meer geboden en verboden. Op tal van plaatsen werden heuse stripboekverbrandingen georganiseerd. Kinderen waren daarbij meer dan welkom. De jongen of het meisje dat het meeste comic books in zijn woongebied had ingezameld en vervolgens in de vlammen wierp, werd uitgeroepen tot king/queen van het ‘bonfire’. (p. 51)
Wertham was bovendien de auteur van Seduction of the Innocent. The influence of comic books on today’s youth, een pseudowetenschappelijke bestseller uit de jaren vijftig.
In 1954 werd onder zijn  supervisie de Comics Code Authority ingesteld, waarmee uitgevers zichzelf censureerden en het afbeelden van geweld, seks en drugs afwezen. Het hoeft niet te verbazen dat heel wat comics uit die periode zeldzame verzamelobjecten zijn geworden. Dit beklijvende hoofdstuk over de invloed van dat soort bespottelijke Amerikaanse moraliserende auteurs met een irrationele haat jegens comics en hoe die hetzes ondanks de hemelsbrede verschillen tussen comics en stripverhalen ook bij ons gevolg kregen is dan ook meer dan het lezen waard. (p. 27-66)
Het is opmerkelijk dat die Amerikaanse toestanden tot dezelfde onzin leidden in Europa. Iedereen van de iets oudere generatie kent denkelijk de eindeloos herhaalde mythe dat stripverhalen schadelijk zouden zijn én bovendien slecht voor de schoolresultaten.
Die ‘nefaste invloed’ kon het succes van de stripcultuur echter niet remmen. Gelukkig maar! Toch toont veel striperfgoed volgens Smet nu nog steeds de sporen van overijverige censuur, zelfcensuur en commerciële politieke correctheid. Het is voor stripmakers en cartoonisten vandaag de dag de vraag hoe zich te verhouden tot een totaal veranderende wereld. Een wereld zonder spleetogen, haakneuzen en dikke lippen. Wat kan er nog, wat kan er niet meer? En wat doe je met heruitgaves van klassieke strips die je vandaag als racistisch zou bestempelen. 

In Vlaamse strips als Nero en Jommeke belandden de helden meermaals in Afrika en de zwarten werden er niet altijd in getekend zoals de politieke correctheid het tegenwoordig vereist. Auteurs als Marc Sleen en Jef Nys kregen regelmatig verwijten van racisme op hun bord. In een interview met Fernand Auwera in 1985 komt het vermeende racisme in Sleens werk ter sprake. “Ben ik een racist? Natuurlijk niet”, zei Sleen. “Maar een karikatuur moet werken met types. Chinezen vallen op door hun spleetogen, dus ik teken alle Chinezen met spleetogen. En alle negers hebben dikke lippen.” (p. 530)

René Goscinny, de Franse scenarist van Asterix en Lucky Luke, reageerde tijdens een vraaggesprek in 1973 nog grimmiger: “Ik een vreselijke racist? Dat accepteer ik niet, ik beschouw het als de ergst denkbare belediging. Laat niemand me dat in mijn gezicht zeggen, of hij krijgt meteen een klap op zijn smoel! Ik racist! Terwijl een groot deel van mijn familie in de ovens van de concentratiekampen is verdwenen!” (p. 531) De rijkdom aan dit soort bronnen (oude, bijna onvindbare interviews) loont zeker de moeite voor de jongere generatie stripfanaten die enkel online bronnen kennen.
Leuk om weten dat Lucky Luke niet veel later onder invloed van de antirooklobby een strootje in plaats van een sigaret in de mond kreeg. Andere censoren wilden de gelijknamige strip zelfs revolvervrij maken. Het draaide uit op een compromis: geen doden. Goscinny vond het eerst een belemmering, maar het was natuurlijk ook een uitdaging om alternatieve manieren van uitschakelen te bedenken. Het thema van Lucky’s moeizame ontwenning is de rode draad van een zeer geslaagd hommageverhaal De Man die Lucky Luke doodde van Matthieu Bonhomme. Lucky ontbeert er zozeer de nicotine dat zijn handen beven en hij zijn revolverbehendigheid verliest. Is hij nog wel in staat om duels op leven en dood te winnen? (p. 156)
In de roerige jaren na de Tweede Wereldoorlog gedijden de striptijdschriften nergens zo goed als in ons land. Op de pagina’s van de weekbladen Kuifje en Robbedoes werd in die dagen, letterlijk én figuurlijk, stripgeschiedenis geschreven.

Vrijwel alle grote stripmakers vonden toen de weg naar die twee tijdschriften, maar hun vrijheid was er allesbehalve onbeperkt. Beide magazines hadden immers een zeer duidelijk katholiek profiel. De inhoud werd gecontroleerd door een onverschrokken ‘religieuze raadgever’. Omdat de familie Dupuis goede relaties onderhield met de Jezüietenorde, was dat voor Robbedoes de pilaarbijter Philippe Sonnet, een strenge Jezüiet slash keurmeester die in die dagen les gaf aan het college in Charleroi (p. 315).

Maar ook decennia later braakte de interne censor zijn chagrijnige gal uit. Meermalen werd de toverdrank, die het Gallische dorpje van Asterix onoverwinnelijk maakt, geduid als lofzang op drugs. Rare jongens die scherpslijpers, zou Obelix zeggen. Een Franse censuurcommissie noemde Franquins Marsipulami schadelijk voor de jeugd, omdat het een absurd en denkbeeldig wezen is dat ongearticuleerd geschreeuw aanheft. Het hoofdstuk over de beruchte Franse censuur die het beeld en zelfs de scenario’s van veel Belgische stripverhalen bij uitgeverij Dupuis of uitgeverij Lombard bepaalde is dan ook uitermate boeiende lectuur. (p. 313-348)
Maar het kan altijd nog gekker! Volgens sommigen zouden via Grote Smurf totalitaire systemen worden verheerlijkt, de eenzame Smurfin zou getuigen van bandeloze vrouwenhaat en de Smurfenhatende tovenaar Gargamel zou zijn terug te voeren op radicaal antisemitische stereotypen. Oh ja, voor ik het vergeet: door het overnemen van het Smurfentaaltje gingen kinderen onverstaanbaar spreken. En in een verhaal over Donald Duck als badmeester moest een vrouwtjeseend plattere borsten krijgen. Zelfs een (beetje) blote vrouwenborst was in de regel verboden! Alhoewel. De bdsm-roman Histoire d’O uit 1954 van Pauline Réage (een van de pseudoniemen van Anne Desclos) mocht in 1975, nadat een vorig en strenger verbod was opgeheven, nog niet aan -18-jarigen worden verkocht. De stripbewerking van Guido Crépâx uit datzelfde jaar bleef buiten schot. (p. 46) Hoe de dienstdoende hekelaars soms toch nog werden afgewimpeld, en met een kluitje in het riet gestuurd.
Niemand bleef gespaard voor krenkende zinspelingen en terloopse beledigingen. Ook Batman en Robin niet. The Dynamic Duo werd verdacht van een homoseksuele relatie. Skrink en Redder des Vaderlands Frederick Wertham (weer hij) was een van de eersten die de relatie tussen de twee hoogst verdacht vond. In zijn Seduction of the Innocent ging hij uitvoerig in op hun relatie: “Er is iets mis met Bruce. Hij is zichzelf de afgelopen dagen niet geweest. Het lijkt als een wensdroom van twee homoseksuelen die samen leven. Soms zitten ze in de divan, Bruce liggend, jas uit, kraag open, met zijn hand op de arm van zijn vriend.” (p. 367-368) En daar bleef het niet bij: ook de relatie tussen Wonder Woman en haar rechterhand ‘mollige’ Etta Candy, de leidster van de Holliday Girls bekeek hij behoorlijk argwanend: “Catwoman is een vreemd personage. Zij is gemeen en gebuikt een zweep. De sfeer is homoseksueel en anti-vrouwelijk. Ook al ziet het meisje er mooi uit, ze is zonder twijfel de schurk.” (p. 369-372)
Nu ja. Veel besognes die Jan Smet in het boek aanhaalt, gaan over het blootleggen van taboes. Art Spiegelman, bekend van Maus, een graphic novel over de Holocaust, heeft met zijn coverontwerpen voor The New Yorker meermalen een open zenuw geraakt. Bijvoorbeeld toen hij in de week van Valentijnsdag een chassidische jood en een zwarte vrouw in een innige omhelzing afbeeldde, nadat in Brooklyn geweld was uitgebroken tussen zwarte en orthodox-joodse inwoners. De meeste ophef veroorzaakte Spiegelman echter in 1999 met ‘41 shots 10 cents’, waarmee hij vooruitliep op de Black Lives Matter-beweging. Zijn omslag verwees naar de dood van de ongewapende immigrant Amadou Diallo, die werd getroffen door 41 politiekogels, waarna rellen uitbraken. Spiegelmans afbeelding van een agent die in een schiettent op burgers vuurt, leidde weer tot woede bij de politie: maar liefst 250 agenten demonstreerden voor de redactie van The New Yorker. (p. 104)
De 21 hoofdstukken worden afgewisseld met intermezzootjes waarin de schrijver thematische zijsprongetjes maakt. Het tweede tussendoortje kreeg de titel ‘Ook nog even over politiek’ mee. Een eerder flegmatieke benadering van de stripcensuur, die serieuze gevolgen kan hebben voor tekenaars die machthebbers bekritiseren.
Cartoonist Bernard Holtrop (alias Willem) werd in 1966 beschuldigd van majesteitsschennis vanwege een spotprent van koningin Juliana in het provoblaadje God, Nederland en Oranje. Omdat de toelage voor de vorstin was verhoogd, tekende hij haar als een hoer op de Wallen in Amsterdam. Haar prijskaartje: 5,2 miljoen gulden. Willem werd niet veroordeeld, maar vrijgesproken (p. 224) Hij werd wel gestraft (een boete van 250 gulden) voor een cartoon van een politieagent in de vorm van een hakenkruis, want het afbeelden van nazisymbolen mag niet. Die boete was trouwens een lachertje als je het vergelijkt met het bedrag dat de Marokkaanse tekenaar Khalid Gueddar moest betalen. In 2009 werd er drie jaar cel tegen hem geëist wegens het beledigen van het koningshuis. Gueddar had de draak gestoken met een neef van koning Mohammed VI. De beledigde prins Moulay Ismail eiste een schadevergoeding van 270 duizend euro. (p. 232)
Sixto Valencia Burgos is een Mexicaanse tekenaar die begin jaren zestig doorbrak met zijn stripreeks Memín Pinguín, over een zwart jongetje met overdreven dikke lippen. Oud nieuws, zou je zeggen, ware het niet dat de lokale posterijen een halve eeuw later een serie postzegels uitbrachten onder de titel La caricatura en México, met Memín Pinguín in vijf verschillende klederdrachten. Uit de VS kwamen verontwaardigde reacties: je kunt raciale stereotypen niet kritiekloos de wereld insturen! Toenmalig president Vicente Fox vond de ophef onzin en zei: “Mexicanen zijn dol op dit figuurtje. Mensen die deze postzegels bekritiseren, hebben de oorspronkelijke strips niet gelezen.” Raar argument, maar over de populariteit van Memín Pinguín had Fox niets teveel gezegd: toen de postzegels in 2005 verschenen, waren er binnen een paar dagen 700 duizend van verkocht. (p. 534)
Tot slot nog dit. Naast de historische rubrieken zijn er nog tal van hoofstukken meer dan lezenswaardig. Vier voorbeelden:

En voor de rest kunt ge onze zak opblazen! Vloeken en schelden in tekstballonnen – dat de auteur hier buitensporig grondig te werk gaat, blijkt alleen al uit het tien pagina’s tellende glossarium van scheldwoorden die hij haarfijn bij elkaar sprokkelde – (p. 69), Smoke gets in your eyes. De verbanning van pijp, cigaar en cigaret – wie vandaag opgroeit, zal zich moeilijk de tijd kunnen voorstellen waarin roken niet echt in vraag werd gesteld. Dat was in strips niet anders (p. 79), De beste vriend van Loch Lomond. Meer mededogen voor alcohol dan voor tabak – denk hierbij aan de drooglegging in Amerika, die door onder andere Hergé en Morris werd verwerkt in hun strips. Of aan bekende stripdronkaards als kapitein Haddock, Linke Loetje en Sus Antigoon, en ook aan de bonte stoet van ronduit jonge kinderen die in de beeldverhaaltjes zomaar dronken mochten worden – (p. 179) en De poes van Assepoester. Waar ligt de grens tussen parodie en plagiaat? – een uiterst dunne lijn want wie beschuldigd wordt van plagiaat, beroept zich maar al te dikwijls op de parodie-exceptie, die stelt dat bij een parodie geen sprake kan zijn van schending van het copyright. (p. 107) Al deze teksten zijn bijzonder knap geschreven, verbazend goed gedocumenteerd en eenvoudigweg prachtig geïllustreerd. Ook de bijschriften bij de afbeeldingen zijn zeer leerrijk zodat dit boek ook voor de eerder vluchtige lezer boeiend blijft. 


Conclusie: Duizend bommen en castraten is een echt coffee table book. Een uitgave om in te cherrypicken, om te doorbladeren en bij voorkeur te lezen aan de hand van de beeldcitaten en illustraties. Kortom een (verslavende) must-have voor elke stripfan! Dat een register ontbreekt, is echt een ernstige nalatigheid. Wat rest is een prachtig uitgevoerd kijkboek vol heerlijke anekdotes. Een kloek naslagwerk (met een cover van absurdist Kim Duchateau) om doorheen de jaren binnen handbereik te houden om er af en toe een hoofdstuk of paragraaf uit (voor) te lezen…
Jan Smet
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. Hij is ondervoorzitter bestuursorgaan Instelling Morele Dienstverlening Vlaams-Brabant. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies