10 februari 2026
Denkwerk - Kunstenaars en filosofen
Dit boek laat zich niet gemakkelijk onderbrengen in een vast genre. Het is geen catalogus, geen systematisch handboek esthetica en evenmin een klassiek kunsthistorisch overzicht. Het is in de eerste plaats een boek dat uitnodigt tot reflectie: tot een manier van kijken waarin ervaring en denken elkaar voortdurend bevragen.
In hun inleiding vertrekken de auteurs van een eenvoudige vaststelling. Over kunst oordelen we vaak snel. Iets is mooi of lelijk, geslaagd of mislukt, interessant maar niet onze smaak. Pollock geldt voor de ene als genie, voor de andere als kliederaar. Zadkines De verwoeste stad wordt geprezen als monument én verworpen als stadsontsiering. Veel moderne kunst geeft haar betekenis bovendien niet vanzelf prijs. Wie zich erop wil laten aanspreken, moet bereid zijn niet alleen rond het werk te lopen, maar ook rond het werk te denken.
Vanuit dat uitgangspunt presenteren Janssen en Zijlstra hun boek als een inleiding in de esthetica die niet vertrekt vanuit theorie, maar vanuit concrete kunstwerken. Elk hoofdstuk begint bij een beeld dat hen fascineert. Pas daarna wordt een filosofisch kader aangereikt. Beeld en denken worden niet hiërarchisch geordend, maar in wisselwerking gebracht. Theorie dient niet om het werk te verklaren, maar om het kijken te verdiepen.
Die methode wordt consequent door het hele boek volgehouden. In de eerste hoofdstukken, gegroepeerd rond “werkelijkheid en autonomie”, staat de klassieke esthetica centraal. Mondriaan wordt gelezen in relatie tot Plato, Bourgeois met Plato en Aristoteles, Eliasson met Augustinus, Giacometti met Kant, Calder met Kant en Schiller. Hier gaat het om harmonie, nabootsing, schoonheid, universaliteit en spel: om de verhouding tussen kunst, vorm en werkelijkheid.
Gaandeweg verschuift de aandacht naar expressie en authenticiteit. Kokoschka verschijnt naast Hegel, Christo naast Marx, Dijkstra naast Schopenhauer, Hirst naast Kierkegaard en Abramović naast Nietzsche. Kunst wordt hier opgevat als uitdrukking van een individu, een tijdperk of een maatschappelijke spanning. Thema’s als verlossing, individualiteit en maatschappijkritiek komen op de voorgrond.
In het daaropvolgende deel, over waarneming en betekenis, verschuift het perspectief opnieuw. Frank wordt verbonden met Wittgenstein, Walvoort met Heidegger, Beuys met Dewey, Matisse met Langer, Nauman met de latere Wittgenstein, Serrano met Gadamer en Schwitters met Merleau-Ponty. De aandacht gaat uit naar waarheid, begrip, taal, verhaal en waarneming.
Het vierde thematische blok richt zich op kritiek en utopie. In de hoofdstukken over Picasso en Adorno, Farocki en Benjamin, Content en Marcuse, en Arendt in Tiel staat de verhouding tussen kunst, media, macht en gemeenschap centraal.
Het laatste deel behandelt fragmentatie en transgressie. Richter wordt gelezen met Derrida, Warhol met Danto, Dumas met Lyotard, Sherman met Baudrillard, Claerbout met Rancière en Imhof met Haraway. Kunst verschijnt hier als meervoudig, instabiel en principieel open.
Deze thematische opbouw laat zien hoe Denkwerk zich beweegt van klassieke opvattingen over schoonheid naar hedendaagse vragen over beeldcultuur en technologie. Toch vormt dit geen gesloten verhaal. De hoofdstukken zijn onafhankelijk leesbaar en nodigen uit tot eigen verbanden.
Geen enkele theorie wordt als definitief gepresenteerd. Geen enkel hoofdstuk pretendeert het kunstwerk uit te putten. Elke combinatie blijft voorlopig. De lezer wordt aangemoedigd om andere perspectieven te proberen.
Niet elke koppeling is even diep uitgewerkt. Kunsthistorische precisie en filosofische nuance worden soms opgeofferd aan leesbaarheid. Maar dat vloeit voort uit de gekozen vorm. Het ongemak dat soms ontstaat, is geen tekortkoming, maar onderdeel van het denkproces.
Het rijke beeldmateriaal ondersteunt deze werkwijze. Het nodigt uit tot voortdurend terugkeren naar het kunstwerk. Zo ontstaat een ritme van kijken, lezen en herzien.
Slotbeschouwing.
Wat Denkwerk mij vooral duidelijk maakte, is dat kunst en filosofie hier functioneren als twee manieren van kijken die elkaar wederkerig verrijken. Denken loopt hier eerst via het beeld heen.
Wat Denkwerk mij vooral duidelijk maakte, is dat kunst en filosofie hier functioneren als twee manieren van kijken die elkaar wederkerig verrijken. Denken loopt hier eerst via het beeld heen.
Als kunstwetenschapper waardeer ik deze consequente terugkeer naar de concrete ervaring. Het boek vermijdt zowel theoretisch jargon als vrijblijvende subjectiviteit. Het zoekt een middenweg waarin kijken, interpreteren en contextualiseren elkaar versterken.
Het nodigt uit tot gesprek en herinterpretatie. Dat sommige combinaties discussie oproepen, is geen tekortkoming, maar een wezenlijk onderdeel van het project.
Voor mij roept Denkwerk herinneringen op aan ‘Gezichtspunten. Een inleiding in de methoden van de kunstgeschiedenis’, onder redactie van Marlite Halbertsma en Kitty Zijlmans, oorspronkelijk verschenen in 1993. Ook daar staat het openen van perspectieven centraal.
Waar Gezichtspunten vooral werkt met kunsthistorische methoden, biedt Denkwerk een breder filosofisch parcours van Plato tot Haraway. Wat beide boeken verbindt, is de weigering om theorie tot norm te verheffen. Kunst blijft leidend.
De meerwaarde van een publicatie als Denkwerk ligt in de combinatie van inhoudelijke sérieux en openheid. Het neemt kunst en denken ernstig, zonder ze te verabsoluteren. Het stimuleert aandachtig kijken zonder hieraan al te snelle conclusies te willen verbinden. Kortom: Denkwerk is een bijzonder interessant en bruikbaar boek. Het leert de lezer te denken mét kunst, niet slechts over kunst. In een tijd waarin betekenis vaak onmiddellijk geproduceerd moet worden, biedt het ruimte voor traagheid, nuance en reflectie. Dat maakt het mijns inziens tot een blijvend waardevolle uitgave.
Benny Madalijns