Friedrich Nietzsche
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 14 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

27 juli 2026 De geboorte van de tragedie of hellenisme en pessimisme
Filologie, esthetica en cultuurkritiek lopen in Nietzsches eerste boek zo dicht in elkaar over dat de negentiende-eeuwse wetenschapswereld er destijds behoorlijk mee in haar maag zat. Uitgeverij Boom voegt met deze nieuwe vertaling van Maarten van Buuren, die eerder al ‘Voorbij goed en kwaad’, ‘Genealogie van de moraal’ en ‘Dageraad’ voor zijn rekening nam, opnieuw een schakel toe aan een reeks die het hoofdwerk van Nietzsche geleidelijk aan in eigentijds Nederlands beschikbaar maakt. Dat is voorwaar geen overbodige luxe, want de oudere vertalingen, hoe verdienstelijk ook indertijd, lezen vandaag stroever dan een boek verdient dat juist wil overtuigen door de kracht van zijn taal.
Nietzsche zelf oordeelde, toen hij zestien jaar na de eerste publicatie zijn eigen jeugdwerk herlas, allerminst mild over wat hij als jongeman had voortgebracht. In de Poging tot zelfkritiek, het hoofdstuk dat aan latere drukken werd toegevoegd, rekent hij zonder omhaal af met de stilistische en methodische gebreken van zijn eersteling, en dat oordeel is opmerkelijk hard voor een auteur die zijn eigen debuut nochtans als een keerpunt in zijn denken bleef beschouwen. Hij verwijt zichzelf een gebrek aan bewijsvoering, een overmaat aan beeldspraak en een sentimentaliteit die hij als jongeman blijkbaar niet kon onderscheiden van filosofische diepgang, en hij vat de eigenlijke opgave van het boek achteraf zelf samen als de bedoeling om "wetenschap onder het gezichtspunt van de kunstenaar te beschouwen" en de kunst op haar beurt te beoordelen vanuit het leven. Precies die eerlijkheid tegenover het eigen jeugdwerk leert de lezer iets over hoe men filosofen zou moeten lezen, namelijk niet als onveranderlijke autoriteiten maar als denkers die zichzelf voortdurend bijstellen.
Opgebouwd uit louter premature, onrijpe, nauwelijks communiceerbare jeugdervaringen en opgevat als artistiek probleem – want binnen de wetenschap kan de wetenschap zelf niet als probleem worden waargenomen –, richtte het boek zich misschien tot kunstenaars met een neiging tot analyse en retrospectie (dat wil zeggen tot een uitzonderlijk soort kunstenaars, die je moet zoeken, ook al doe je dat liever niet…), vol psychologische innovaties en kunstenaarsgeheimzinnigheid, met een soort kunstenaarsmetafysica op de achtergrond, een jeugdwerk vol jeugdige overmoed en jeugdige zwaarmoedigheid, onafhankelijk en zelfs daar koppig op eigen benen staand waar het lijkt te buigen voor degene die het zelf tot vereerde autoriteit had verheven; kortom een eerste werk, ook in de ongunstige zin van het woord, dat ondanks de bedaagde problematiek mank gaat aan elk gebrek van de jeugd, met name het 'veel te lang' en de 'sturm-und-drang'; aan de andere kant, gelet op het succes dat het had (in het bijzonder bij de grote kunstenaar tot wie het zich als in een dialoog richtte, Richard Wagner), een boek dat zich bewezen heeft, waarmee ik een boek bedoel dat in ieder geval bij 'de besten van zijn tijd' in de smaak viel.
Alleen al daarom zou het met de nodige consideratie en discretie behandeld moeten worden; desondanks wil ik niet onder stoelen of banken steken hoe onaangenaam het me nu voorkomt, hoe vreemd ik er nu na zestien jaar tegen aankijk, – met ogen die ouder, honderdmaal kritischer, maar absoluut niet kouder zijn geworden, die ook niet vreemder aankijken tegen het probleem waaraan dit vermetele boek zich als eerste heeft gewaagd, – wetenschap onder het gezichtspunt van de kunstenaar te beschouwen, en kunst onder dat van het leven…
 
(Pagina's 11-12)
Die afrekening met zichzelf is meer dan een retorische geste van bescheidenheid. Ze wijst een probleem aan dat het hele boek doortrekt: Nietzsche schreef als filoloog over de Grieken, maar zijn eigenlijke inzet was filosofisch en zelfs persoonlijk, geworteld in een jeugdervaring die zich naar zijn eigen zeggen nauwelijks liet vatten binnen de grenzen van de academische verhandeling. Dat gegeven verklaart zowel de aantrekkingskracht als de weerbarstigheid van de tekst, want wie een klassiek filologisch traktaat verwacht, komt bedrogen uit, terwijl wie een coherent filosofisch systeem verwacht, evenmin krijgt waarnaar hij op zoek was.
De kern van het betoog draait om de spanning tussen twee driften die Nietzsche het apollinische en het dionysische noemt, ontleend aan Schopenhauers onderscheid tussen wil en voorstelling maar door Nietzsche eigenzinnig omgevormd tot een cultuurfilosofisch instrument. Het apollinische verwijst naar de droom en de vormgevende, begrenzende schijn, terwijl het dionysische veeleer de roes oproept en de ontgrenzende, pijnlijke waarheid van het worden zelf.
Wat de Griekse tragedie volgens Nietzsche zo uitzonderlijk maakt, is dat zij deze twee krachten niet tegen elkaar uitspeelt maar in een vruchtbaar evenwicht samenbrengt, waardoor het Griekse publiek de verschrikkelijke kern van het bestaan kon verdragen zonder in resignatie te vervallen. Die gedachte reikt verder dan de geschiedenis van het Griekse theater, want Nietzsche gebruikt haar om iets te zeggen over de voorwaarden waaronder een cultuur in het algemeen levensvatbaar blijft.
Verderop in het boek werkt Nietzsche dit uit tot een stelling over het Griekse koor zelf: de scènes en beelden die de toeschouwer te zien krijgt, verraden volgens hem een wijsheid die dieper reikt dan wat de toneelschrijver ooit in woorden had kunnen vatten, en het is precies die niet-talige, tonale laag die hij als de eigenlijke oorsprong van de tragedie beschouwt.
Het tweede deel van het betoog is minstens even interessant en blijft mijns inziens grotendeels onderbelicht in de gangbare receptie van het boek. Nietzsche houdt Socrates verantwoordelijk voor de ondergang van de tragische kunst, niet omdat de wijsgeer haar rechtstreeks zou hebben bestreden, maar omdat hij er een ander geloof voor in de plaats stelde, namelijk dat de rede in staat zou zijn de wereld tot op de bodem te doorgronden en zelfs bij te sturen. Precies die overtuiging leest Nietzsche niet als vooruitgang maar als een teken van verzwakte levenskracht, en wie zijn latere werk kent, herkent in deze diagnose reeds de eerste aanzet tot wat hij nadien decadentie zal noemen, met de wil tot macht en de herwaardering van alle waarden als latere uitwerkingen van hetzelfde grondmotief.
Hier zit de eigenlijke moeilijkheid van het boek, en meteen ook de waarde ervan. Nietzsches aanval op het socratische optimisme raakt namelijk ook aan de verlichte, rationele traditie waarin het vrijzinnig humanisme zelf wortelt, en het zou een vergissing zijn dit ongemak weg te redeneren of te verzachten.
Wie de wetenschap, de kritische rede en het geloof in menselijke autonomie hoog houdt, kan Nietzsches suggestie dat juist die instelling een teken van verzwakking zou zijn, niet zomaar naast zich neerleggen. Het antwoord ligt niet in een simpele verwerping van Nietzsches these, maar in het onderscheid dat hij zelf, zonder het uit te werken, tussen de regels laat doorschemeren tussen een optimisme dat de werkelijkheid ontkent en een kritische rede die haar juist onbevreesd onder ogen durft te zien. Wie dat onderscheid voor ogen houdt, kan zich tegen Nietzsches kritiek wapenen zonder in het soort naïef vooruitgangsoptimisme te vervallen dat hij terecht bekritiseert.
De vertaling van Maarten van Buuren doet recht aan de retorische drift van het origineel, waarin lange, golvende zinnen en talrijke retorische vragen elkaar afwisselen met een gedrevenheid die de jonge Nietzsche eigen was. Waar de oudere vertalingen van dit boek de neiging vertoonden om de negentiende-eeuwse toon van het Duits ook in het Nederlands te bewaren, kiest Van Buuren consequent voor een zinsbouw die dichter bij het actuele Nederlands aanleunt zonder de intellectuele gelaagdheid van Nietzsches redenering te versimpelen. Dat is geen geringe verdienste, want net in deze tekst, waar de zinnen zelf al retorisch zwaar geladen zijn, ligt het gevaar van een vertaling die krampachtig aan het origineel wil vasthouden en daardoor onleesbaar wordt.
Het nawoord biedt de lezer die minder vertrouwd is met het vroege werk bovendien een heldere ingang via vier hoofdlijnen die door het hele boek lopen: wording en zijn, wil en voorstelling, het onbewuste tegenover het bewuste, en de verhouding tussen muziek en beeldende kunst.
Van Buuren illustreert die laatste lijn met een biografisch gegeven dat de eerder genoemde persoonlijke inzet van Nietzsche nog eens onderstreept. Een halfjaar na de publicatie van De geboorte van de tragedie legde Wagner in Bayreuth de eerste steen voor het Festspielhaus, en Nietzsche verheugde zich erover dat het ideaal dat hij in zijn boek had bezongen eindelijk gestalte zou krijgen. Naarmate de bouw vorderde, groeide echter zijn achterdocht dat het Wagner meer om de eigen verering dan om culturele vernieuwing te doen was, en toen de componist zich met Parsifal tot het katholicisme bekeerde, verweet Nietzsche hem in niet mis te verstane bewoordingen dat hij zich "op zijn buik" liet "kruipen voor het kruis." De breuk tussen de twee mannen, van wie het boek de verstandhouding nog als een dialoog tussen gelijkgestemden had voorgesteld, toont hoezeer de stellingen van Nietzsches debuut doorheen zijn verdere leven zijn blijven doorwerken. Maar wat koopt een vrijdenker vandaag met deze tekst?
De grootste verdienste van het boek is dat het geen pasklaar antwoord geeft. Nietzsche dwingt de lezer om het eigen vertrouwen in rede en wetenschap niet als vanzelfsprekend te beschouwen, maar zich af te vragen of dat vertrouwen een vorm van moed is dan wel een vlucht voor het onverdraaglijke. Wie die vraag eenmaal onder ogen heeft gezien, leest de eigen vrijzinnige overtuigingen met meer helderheid en minder gemakzucht, en dat is, naar mijn aanvoelen, precies de reden waarom deze tekst, anderhalve eeuw na haar ontstaan, een vrijdenker vandaag nog altijd iets te zeggen heeft.
 
Benny Madalijns

Friedrich Nietzsche
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies